Jeff Lafranca
Jan Mens: ambachtsman in de literatuur. * Maart-oktober 2005
In 1932 kreeg Jan Mens ontslag als biljartmaker bij de beroemde Billardfabriek Wilhelmina op de Amsterdamse Stadhouderskade. Zijn baas vond het zelf ook erg, maar de crisis dwong hem. Mens begon ‘sociale schetsen’ te schrijven (in 1934 gebundeld in Rafels), maar ook kinderverhalen, en uiteindelijk zelfs een roman. Omdat spelling niet zijn sterkte punt was, legde iedere itgver zijn kopij terzijde, tot oud-schoolmeester Theo Thijssen hem de helpende hand bood. Met succes. In december 1938 kreeg hij het dringende verzoek van de beroemde literator en criticus Dirk Coster om voor een gesprek naar Delft te komen. Met een rijksdaalder, geleend van de Dienst voor de Maatschappelijke Steun, nam hij de trein. In zijn rol van juryvoorzitter vertelde Coster hem dat hij de literaire debuutprijs van uitgeveerij Kosmos had gewonnen. Mensen zonder geld zou worden uitgegeven en Mens kreeg een chêque van liefst ƒ 1000. Na een diner nam hij de laatste trein naar huis. De laatste tram 9 was al weg, dus hij liep vijf kilometer naar Betondorp. De hele familie stommelde in pyjama naar beneden. Jan legde de chêque op tafel en zei: “Nu zijn we rijk.” Dat was het begin van grote schrijversroem. Begin jaren zestig was Mens nog de meest gelezen schrijver van Nederland. En de tv-bewerking van zijn romancyclusDe Kleine Waarheid (met Willeke Alberti, John Leddy, Coen Flink, Sylvain Poons e.v.a.) ketende in 1970-1971 miljoenen aan de beeldbuis. In zijn romans (o.a.Mensen zonder geld, De Gouden Reael, Koen, Er wacht een haven) de stadAmsterdam een prominente rol speelt. Als dank voor Thijssens hulp maakte Mens in 1937, toen Thijssen naar de Watergraafsmeer verhuisde, voor een vriendenprijs diverse stoelen, een tafel en boekenkasten voor diens nieuwe huis op de Hogeweg. Eén van die boekenkasten, de tafel en twee stoeltjes staan nu in ons museum. De tafel dient als balie, de kast en herbergt nu de 'winkelvoorraad' van ons museum. In de kleine tentoonstelling, die 23 april werd geopend door Jan Mens' kleindochter Tine, zijn vele boeken van Mens te zien, maar ook foto’s, aantekeningenboekjes én te telegram dat hij op 22 december 1938 uit Delft naar huis stuurde””Boek bekroond breng cheque mee tevens hartelijke gelukwens van de Jury en Uitgever. Jan.”
De zingende rooie smeris uit de Jordaan (november 2006 - februari 2007)
De jeugd van de latere onderwijzer en schrijver Theo Thijssen, hier geboren in juni 1879, valt samen met een geweldige groei en modernisering van Amsterdam, maar ook met de opkomst van de socialistische beweging in de stad. Het waren wilde jaren. De welvaart groeide, maar die was nog uiterst ongelijk verdeeld. En vooral in de overbevolkte en verkrotte Jordaan was de ellende groot. In februari 1882 had de voormalige dominee Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) met wat kornuiten in een cafeetje bij de Nieuwmarkt de allereerste socialistische partij van Nederland opgericht: de Sociaal-Democratische Bond . Die SDB ijverde vooral voor algemeen kiesrecht en de achturige werkdag. Rond 1882 ging het nog maar om zo’n 200 arbeiders en kleine middenstanders, van wie een behoorlijk deel in de Jordaan woonde. Het Maar de beweging groeide snel en in de stad werd de sfeer grimmiger. In 1885 trokken regelmatig rumoerige werklozenoptochten door de stad, venters met het rode blad recht voor Allen werden belaagd door gezagsgetrouwe burgers en de politie joeg vergaderingen uiteen. Niet alle tumult werd overigens door de socialisten georganiseerd. Soms kwam het vage ongenoegen van de vaak werkloze Jordaners spontaan tot een uitbarsting. Het opvallendste voorbeeld is het Jordaanoproer van juli 1886,. De aanleiding was dat op een hete zondagmiddag de politie op de Lindengracht een einde maakte aan het palingtrekken, een weinig subtiel maar populair volksvermaak. Er werden barricades opgeworpen, het stadsbestuur riep het leger te hulp en na twee dagen en nachten tumult waren er ruim 100 gewonden en 26 doden. Vader Sam Thijssen komt niet voor op de overgebleven SDB-ledenlijsten, maar was in ieder geval sympathisant en kende veel vooraanstaande socialisten goed. Waarschijnlijk tipte hij ook Piet de Ruijter, toen de familie Thijssen in februari 1885 de benedenverdieping van Eerste Leliedwarsstraat 16 verruilde voor een wat grotere woning elders in de straat. De Ruijter was de bekendste liedschrijver en –zanger van de jonge beweging. Het beroemdst werd zijn Mariannelied: “ ‘k Ben Marianne, proletaren, mijn naam is overal bekend!” Over pech in het leven zong De Ruijter uit eigen ervaring. Bij de politie, waar hij (als werkloos kantoorbediende) in 1883 met succes had gesolliciteerd, werd hij al na een jaar vanwege zijn SDAP-lidmaatschap ontslagen. Toen begon hij maar een winkeltje in socialistische geschriften, eerst de Eerste Leliedwarsstraat, later in de Eerste Bloemdwarsstraat. Intussen stierven in korte tijd zijn vrouw en bijna al zijn kinderen. En in 1887 belandde hijzelf in het gevang, omdat hij een oproerig Welkomstlied had geschreven voor Donela Nieuwenhuis, die net was vrijgelaten na een celstraf wegens majesteitsschennis. Berooid en verzwakt overleed hij in mei 1889, pas 34 jaar oud. Mede dankzij zijn biograaf, cabaretier Jaap van de Merwe (aan wie we ook de kop boven dit verhaal ontlenen) is hij echter nog niet vergeten.
Toen in 1885 de familie Thijssen Eerste Leliedwarsstraat 16 verruilde voor een iets grotere woning verderop in de straat, werd het zojuist verlaten benedenhuis betrokken door een goede kennis van vader Thijssen. Hij heette Piet de Ruijter, en was ‘hofdichter’ van de prille socialistische beweging in Amsterdam. Van november 2006 tot eind februari 2007 eerde het Theo Thijssen Museum (in aansluiting op een tentoonstelling over Amsterdamse liederen in het Amsterdams Historisch Museum) deze moedige en veelgeplaagde oud-bewoner van het huidige musempand.
Een geluk in het leven: sport in Theo Thijssens tijd. (15 juni 2006-1 september 2007.)
"Bakels, je hebt het meer gedaan!" Theo Thijssen en de opkomst van de sport in Amsterdam Zwemmen, rennen, schermen, schaatsen, schaken, voetballen: Theo Thijssen deed het allemaal – of hij droomde ervan. Want van jongsaf aan hield hij van lichaamsbeweging, maar helaas, bar weinig sporten waren rond 1890 bereikbaar voor een schoenmakerszoon uit de Jordaan. Toen echter Thijssen in 1939 met pensioen ging, was sport een passie voor arm en rijk geworden. Honderdduizenden sportten zelf, gingen naar wedstrijden kijken of volgden gespannen de radioverslagen. Die opkomst en inburgering van de sport in Amsterdam, juist samenvallend met Thijssens leven, was het thema van de nieuwe tentoonstelling Een geluk in het leven. Natuurlijk bestonden er al sinds mensenheugenis allerlei wedlopen, behendigheidsspelen en lichaamsoefeningen, maar die gingen pas sport heten toen er clubs, uniforme reglementen en wedstrijdschema’s voor kwamen. Dat gebeurde allereerst in Duitsland en Engeland, in de eerste helft van de 19de eeuw. In Amsterdam en de rest van ons land kwamen de sportclubs pas veel later, in de tweede eeuwhelft (met uitzondering van roeivereniging De Hoop, uit 1848). Tot rond 1900 bleef de sportbeoefening grotendeels voorbehouden aan de rijkelui. En sommige sporten bleven elitair tot de huidige dag, zoals cricket golf, tennis, paardrijden, schermen, roeien en hockey. Maar veel andere (voetbal, handbal, wielrennen, atletiek, turnen, boksen, zwemmen, schaatsen enzovoorts) werden wél populair in brede lagen van de bevolking, vooral na 1919, toen de achturige werkdag wettelijk werd ingevoerd. Een belangrijke drempelverlagende rol speelden het gymnastiekonderwijs en evenementen als het jaarlijkse schoolvoetbaltoernooi. De grootste bijdrage aan de popularisering van de sport leverden zonder twijfel de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam. Maar intussen groeide, vooral in socialistische kring, ook de ongerustheid. Stond de individuele prestatiedrang het ‘fair play’ en de gemeenschapszin niet in de weg? En was het supportersenthousiasme intussen niet ontaard in ‘sportverdwazing’? Thijssen zag er weinig kwaad in: jongens hebben nu eenmaal een uitdaging nodig!. Maar in zijn tijd was er ook nog geen F-side, en het debat blijft actueel. Over dat alles ging deze expositie, ingericht door stagiair Daan Doets, met medewerking van velen, onder wie Jaco Treurniet (verzamelaar Olympische Spelen 1928), sporthistoricus Jurryt van der Vooren en Ajax-kenner Carel Berenschot.. "Bakels, je hebt het meer gedaan!" Theo Thijssen en de opkomst van de sport in Amsterdam Zwemmen, rennen, schermen, schaatsen, schaken, voetballen: Theo Thijssen deed het allemaal – of hij droomde ervan. Want van jongsaf aan hield hij van lichaamsbeweging, maar helaas, bar weinig sporten waren rond 1890 bereikbaar voor een schoenmakerszoon uit de Jordaan. Toen echter Thijssen in 1939 met pensioen ging, was sport een passie voor arm en rijk geworden. Honderdduizenden sportten zelf, gingen naar wedstrijden kijken of volgden gespannen de radioverslagen. Die opkomst en inburgering van de sport in Amsterdam, juist samenvallend met Thijssens leven, was het thema van de tentoonstelling Een geluk in het leven -- opmaat voor de Theo Thijssen Sport- & Speldag op 16 juni 2007.
De gelukkige klas in Theo Thijssen Museum (20 okt. 2007 t/m 2 maart 2008)
Dit najaar beleeft Theo Thijssens roman De gelukkige klas (1926) een ongekende revival. In het kader van de leesbevorderingsactie Nederland Leest verschijnt het boek in een recordoplage van honderduizenden exemplaren! Tot en met 2 maart 2008 is bovendien in het Theo Thijssen Museum (Eerste Leliedwarsstraat 16 Amsterdam) een tentoonstelling te zien over dit boek en Thijssens ideeen over het onderwijs. De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB, de club die ook de Boekenweek organiseert) geeft het boek vanaf 19 oktober a.s een maanda lang gratis aan alle leden van opennbare bibliotheken in Nederland, zoals ze dat vorig jaar al deed met Dubbelspel van Frank Martinus Arion. Samen Theo Thijssen lezen en er over praten, dat is de bedoeling. (Naast de uitdeel-editie, is trouwens in de boekwinkel voor 10 euro een gebonden luxe-editie verkrijgbaar.) Nieuw is dat De gelukkige klas, dat immers over het schoolleven gaat, ook gaat worden uitgereikt aan honderdduizenden vierdeklassers van Nederlandse havo- en vwo-scholen in Nederland! De leerzame, prikkelende, amusante en stiekem ook wel nostalgische tentoonstelling De gelukkige klas laat (in een audio-tour) Theo Thijssen himself vaak zeer sarcastisch commentaar leveren op allerlei aspecten van het onderwijs: de schrijnend verschilllende kansen van arme en rijke kinderen, de ergerlijke bureaucratie en arrogante schoolhoofden, misselijk makende leerboekjes en zotte methooden voor allerlei schoolvakken, maar ook de door hem nagestreefde zelfstandheid van de onderwijzer, zijn aandacht voor iedere leerling apart maar ook de warme eenheid die een klas moet zijn. Dit aan de hand van vele oude schoolboekjes, griffels en leien, en talloze prachtige oude foto's. De bijpassende citaten van Thijssen zijn ontleend aan zijn romans, maar ook zijn talloze artikelen in onderwijsbladen en zijn redevoeringen in de Tweede Kamer en de Amsterdamse gemeenteraad. De expositie werd samengesteld door Lidy-Ann Hoekstra, Peter-Paul de Baar en Paul Spies en vormgegeven door Meike Ziegler. Jan Carmiggelt leverde Theo Thijssen zijn stem. ( Het museum is open do.-zo, 12-17 uuur. Entree 2 euro.) Thijssen ook in Nationaal Onderwijsmuseum Ook in het Nationaal Onderwijsmuseum in Rotterdam is vanaf 21 oktober 2007 een tentoonstelling te zien over Theo Thijssen. Hier wordt vooral het onderwijs rond 1905-1910 belciht: in die jaren speelt het verhaal van De gelukkige klas. Er zijn veel schoolplaten, schoolschriften en andere schoolspullen uit die tijd te zien; daarnaast wordt aandacht besteed aan de persoon Theo Thijssen. (Nationaal Onderwijsmuseum, Nieuwemarkt 1A, Rottterdam, 010-405 54 25;www.onderwijsmuseum.nl.)
Theo Thijssen op vakantie (februari 2008 - augustus 2008)
Voor zijn onderwijzersvakbond bezocht in de jaren en twintig Thijssen België, Frankrijk, Duitsland, Engeland, Denemarken, Zweden, Italië, Spanje en Tsjechië. Maar buitenlandse vakanties zaten er voor hem nog niet in. Toch wist hij er wel steeds een feest van te maken, in badplaatsen of duindorpen als Scheveningen, Katwijk, Castricum en Bergen dan wel op de bosrijke Veluwe. En hoe meer aanloop hij daar kreeg van familie, buren en vrienden, hoe liever het hem was. Nu is het bijna onvoorstelbaar dat een eeuw geleden het grootste deel van de Nederlanders nooit vakantie had. Dat recht werd voor de meeste werknemers pas verworven door harde vakbondsacties, met als legendarisch hoogtepunt de grootscheepse Loodgietersstaking van 1928. Resultaat: vier dagen per jaar ‘betaald verlof’. Niet veel, maar wel een doorbraak. Onderwijzers waren altijd al bofkonten, in dat opzicht. Als hun leerlingen vakantie hadden, was de school in principe dicht. Dar was hun salaris ook op afgestemd. En natuurlijk moest er in de vakantie wel enige administratie worden verricht. In Schoolland (dat verhaal speelt rond 1905) koopt meester Staal tijdens een goedkope logeerpartij bij zijn ouders op het platteland bijvoorbeeld bij de kantoorboekhandel in het dorp een kasboek, en noteert daarin alvast alle gegevens van zijn nieuwe klas. Maar hij is er een paar weken tussenuit – met heimwee naar school, dat wel. Vooral de zomervakantie leende zich daguitstapjes of zelfs een langduriger verblijf buiten de stad. Maar daar moest je natuurlijk wel geld voor hebben. Volgens een enquête van de Amsterdamse afdeling van de onderwijzersbond in 1904 kwam het overgrote deel van de leerlingen van de ‘kosteloze’ lagere scholen nooit de stad uit. Meester Thijssen al wel, maar zuinigjes, vooralsnog, Het zal begonnen zijn met eens een dagje uit. Omstreeks 1905 liet hij zich met zijn eerste vrouw en haar vader kieken op de Scheveningse pier, het Kurhaus op de achtergrond. Vanaf 1916 huurde hij in augustus jaarlijks een huisje in Katwijk, met zijn tweede vrouw Geertje Dade en de kinderen, en met zijn voormalige schoonfamilie: zijn zus Koba was getrouwd met Ko Zeegerman, zus van wijlen Jo. Hoewel in ieder geval in 1925 en 1928 ook de Veluwse bossen werden verkend, werd toch vanaf half jaren twintig Castricum favoriet. Van daaruit schreef Thijssen op 19 augustus 1927 aan zijn uitgever: “De jeugd fietst ’s morgens naar zee, en de oude heer met de dames volgen per autobus.” En vanaf 1936 brachten de Thijssens de augustusmaand door in Bergen. In Bergen-Binnen huurde Thijssen het modernistische huis van de architect Majella Cijffers, Komlaan 27. Veel Bergense vakantiefoto’s zijn genomen op de veranda van dit huis Hiervandaan werd het strand van Bergen aan Zee bezocht. Het was er een zoete inval. Op 19 juli schreef Thijssen bijvoorbeeld aan zijn jonge vriend Jan Mens: "2 en 3 Augustus is best, badpakken meebrengen en mooi weer!" Thijssen betaalde de huur onder meer met de vergoeding die hij kreeg voor het optreden als gecommitteerde bij eindexamens van kweekscholen in den lande. In de tentoonstelling wordt de sfeer van die vakanties zo goed mogelijk opgeroepen. Daarnast wordt zijdelings aandacht besteed aan de strijd om vakantie, de vakantiebesteding van de toenmalige schooljeugd en de ontwikkeling van de badplaatscultuur.


